Regioblad juli 2018

4 - Regioblad WAT LEZEN WE DE KOMENDE ZONDAGEN IN DE SCHRIFT? Het vorige overzicht eindigde met een aantal 'gewone' zondagen door het jaar. Vanaf het Hoogfeest van de geboorte van Johannes de Doper (24 juni) is het voorlopig gedaan met kerkelijke (hoog)feesten op zondag. Vanaf dat moment zetten we onze tocht met Jezus weer voort aan de hand van Marcus. Op vijf zondagen na, want dan geeft het lectionarium de voorkeur aan de evangelist Johannes. Dat heeft te maken met het feit dat zijn denken over Jezus verder ontwikkeld is dan dat van Marcus. Logisch als je weet dat Johannes zijn evangelie 25 tot 30 jaar na Marcus schreef. Daarom passen zijn opvattingen beter bij wat de Kerk met de liturgische Schriftlezing voorheeft. Wat wil de Kerk met de Schriftlezing? De bedoeling van de Kerk kun je in drie punten samenvatten. Om te beginnen wil zij via de Schriftlezing ons geloof in God sterken. Daarnaast wil ze ons het geheim van Pasen dat we elke zondag vieren - leven doorheen de dood - beter doen verstaan. En tot slot wil ze onze band met Jezus de Levende zó verdiepen dat we hem meer en meer navolgen in woord en daad. Vooral Johannes heeft over Jezus diepzinnige dingen gezegd. Vandaar de voorkeur voor zijn evangelie gedurende vijf zondagen. Jammer is wel dat daardoor de verhaallijn van Marcus wordt onderbroken. De verhaallijn van Marcus Het evangelie volgens Marcus kun je grofweg in twee stukken verdelen. Het eerste speelt zich vooral af in Galilea (1:16- 8:21), het tweede in Jeruzalem (11:1-15:39). Daartussenin staat een scharnierstuk (8:22- 10:52). Dat begint en eindigt met de genezing van een blinde (8:22-26 en 10:46-52). Die genezingen markeren Jezus' ommekeer naar Jeruzalem. In beide gevallen ziet een blinde scherp, terwijl de leerlingen niet zien wie Jezus is. Dát is de rode draad in Marcus' evangelie. Hij wil ons de ware identiteit en de bevrijdende boodschap van Jezus zelf laten ontdekken. De evangelielezingen van de zomermaanden zijn voor het grootste deel genomen uit het eerste stuk. Alleen de laatste twee komen uit het scharnierstuk. Met Marcus op weg Op 1 juli starten we met het verhaal van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (5:21-24.35-43). Vanaf dan volgen we Marcus' tekst op de voet. We horen hoe Jezus wordt afgewezen in het dorp van zijn jeugd (6:1-6). Daarna stuurt hij de leerlingen erop uit om overal onreine geesten uit te drijven, zieken te genezen en mensen op te roepen tot bekering (6:7-13). Op 22 juli komen ze terug. Meteen neemt Jezus hen mee naar een eenzame plek om uit te rusten, maar een grote menigte volgt hen. Bij het zien van die mensenmassa krijgt Jezus met hen te doen: ze zijn als schapen zonder herder. Hij begint hen uitvoerig te onderrichten (6:30-34). De tekst stopt op het moment dat Marcus zegt dat het laat op de dag is (6:35). Dan volgt het bekende verhaal van de jongen met de vijf broden en de twee vissen, en de massamaaltijd (6:36- 44). Maar dat horen we in de versie van Johannes, die vanaf 29 juli onze gids is. Intermezzo met Johannes Vijf zondagen lang lezen we uit het zesde hoofdstuk van het Johannesevangelie. Op de eerste daarvan had dat evengoed Marcus kunnen zijn. Die vertelt ook over de massamaaltijd met vijf broden en twee vissen (Joh. 6:1-15 = Mc. 32-44). De andere lezingen vinden we echter uitsluitend bij Johannes. Eerst zegt Jezus dat hij het "levensbrood " is dat van God uit de hemel is gekomen (6:24-35). De Judeeërs storen zich aan die grootspraak. Voor hen is hij de aardse zoon van Jozef. Dan vertelt Jezus hun dat het manna dat in de woestijn uit de hemel viel hun voorvaderen niet voor de dood heeft behoed. Maar wie van het "levensbrood" eet (dat is zijn vlees) zal echt leven (6:41-51). Beeldspraak die de toehoorders niet verstaan. Hoe kan Jezus zeggen dat hij hun zijn vlees te eten geeft en zijn bloed te drinken? Ondenkbaar! Tevergeefs herhaalt Jezus zijn beeldspraak in andere bewoordingen (6:51- 58). Op de laatste zondag keren ook vele leerlingen zich van hem af. Alleen de twaalf blijven trouw. Namens hen zegt Petrus dat ze er vast in geloven dat hij "de heilige Gods" is (6:60-69). Geen gemakkelijke kost, dit hoofdstuk. Beeldspraak die om uitleg vraagt. Vlees (of lichaam) enbloed staan voor de gehele levende persoon, zijn wezen en zijn boodschap. Eten betekent in overdrachtelijke Bijbelse taal: eigen maken. Daarom moet de profeet Ezechiël van God een boekrol opeten. Want alleen zo kan hij Gods klacht aan zijn volk overbrengen (Ez. 3:1-3). Evenzo stelt Jezus zijn toehoorders voor de keuze: zich zijn boodschap volledig eigen maken (zijn vlees eten), of niet. Verder met Marcus Vanaf 2 september lezen we weer uit het evangelie volgens Marcus. Eerst vragen Farizeeën en Schriftgeleerden Jezus waarom zijn leerlingen hun handen niet wassen vóór het eten (7:1-8.14-23). In het lectionarium zijn de verzen 17 t/m 20 geschrapt. Waarom? Misschien omdat ze over toiletbezoek gaan en mogelijk onreine gedachten oproepen? Voor het verstaan van het verhaal zijn ze voor mijn gevoel onmisbaar – lezen dus! De zondag erna geneest Jezus een dove en moeilijk sprekende man (7:31-37). Dan maken we een sprong in het evangelie. We slaan een tweede massamaaltijd over (8:1-9) evenals de tweede genezing van een blinde (8:22-26), en komen bij het omslagpunt: Jezus gaat naar Jeruzalem. Op 16 september vraagt hij zijn leerlingen: "Wie zeggen jullie dat ik ben?" Petrus gooit het hoge woord eruit: "de Messias". Maar wanneer Jezus zegt dat de Messias moet lijden en sterven en na drie dagen uit de dood zal opstaan, probeert Petrus hem meteen daarvan af te brengen. Jezus reageert fel: "Achter mij Satan!" (8:27-35). Wat dat concreet inhoudt, zal de volgende aflevering blijken. De lezingen uit het Eerste Testament De eerste lezing is in deze tijd steeds in functie van het evangelie gekozen. Bij het verhaal over Jaïrus' dochtertje past het geloof dat de mens niet voor de dood is geschapen (Wijsheid 1). De tegenstand in Nazaret roept herinneringen op aan de profeet Ezechiël: Israël was net zo halsstarrig (Ez. 2). Zendt Jezus zijn leerlingen de wereld in, de profeet Amos werd door God gestuurd (Amos 7). Het beeld van de mensenmassa als schapen zonder herder wordt verbonden met dat van de leiders van Israël als slechte herders (Jer. 23). De massamaaltijd heeft een parallel bij de profeet Elisa (2 Kon. 4). Wanneer Jezus over het manna spreekt, horen we het verhaal uit Exodus 16. Bij het levensbrood past het brood dat een engel aan Elia bracht toen die de woestijn invluchtte (1 Kon. 19). En evenals vrouwe Wijsheid roept Jezus zijn tijdgenoten op om toch vooral te eten van het brood dat hij de wereld geeft (Spr. 9). Hij vraagt hun ook om voor hem/God te kiezen, zoals Jozua Israël voor de keuze stelde (Joz. 24). Maar de Wet volgen waartoe Mozes oproept (Deut. 4) legt Jezus anders uit. Daarentegen sluit de genezing van de dove man aan bij het visioen in Jesaja 35 en past Jezus' lijdensvoorzegging bij de profetie in Jesaja 50. Al bij al een rijk geschakeerde reeks lezingen om te leren zien wie Jezus echt voor ons is.

RkJQdWJsaXNoZXIy NTgwNDc=