deel van de overweging gehouden op Elisabethzondag.

In de abdij die we dinsdag in West-Vleteren bezochten, gaat de poort op slot, als je niet op tijd bent voor de getijden. We waren op tijd, alle 62 parochianen, dankzij onze voortreffelijke reisleider. Ik heb me laten vertellen dat in de abdij ’s nachts een lamp blijft branden. Niet zozeer om praktische redenen, maar vooral om de kloosterlingen eraan te herinneren, dat zij, zoals in het evangelie (Matteüs 25,1-13), de komst van de bruidegom verwachten. Hun leven staat in dat licht. Dat doet iets met hun tijdsbeleving: in het hier en nu leven ze al eeuwig. Zij hebben geen haast. Hun ritme is doortrokken van eeuwigheid: bidden, werken, rusten, zo houden zij de lamp brandend, totdat hij komt. Die lamp brandt ook voor hun gasten en voor de wereld. Totdat Hij komt maken zij werk van wat in Jezus’ eindtijdverhalen te vinden is: ‘Ik leed honger, en je hebt me te eten gegeven, ik leed dorst en je gaf me te drinken, ik was vreemdeling en je nam me op, ik was naakt en je hebt me gekleed, ik werd ziek en je hebt me verzorgd, ik was in de gevangenis en je bent gekomen’ (Matteüs 25,35-37).

 

Hoe kwamen we daarbij, om naar West-Vleteren en Ieper te gaan? Het was nog lente, 18 april. Het Comité voor de organisatie van de Elisabethdagen kwam samen. Met behulp van allerlei foto’s probeerden we voeling te krijgen met wat ons bezighield. We bleken niet weinig ongerust: nucleaire dreiging, terrorisme, miljoenen mensen op de vlucht: de kant van oorlog. Maar wat ook zichtbaar werd: ons verlangen naar stilte, naar wijsheid... naar toewijding, gemeenschap, samen aan tafel, we verlangden iets te ervaren van mensen die hun hele leven wijden aan God. .. de kant van de vrede. Oorlog en vrede.

Oorlog en vrede, daar lagen ze, naast het evangelie voor deze zondag, met die dreigende ondertoon van het einde der tijden. Het machtige kwaad, oorlog en natuurrampen. Toen en nu. Hoe zorg je dat je daar niet moedeloos van wordt, niet afgestompt, niet onverschillig? Hoe houd je je lamp brandend, hoe geef je God niet op, hoe kom je telkens weer in actie voor dat rijk van vrede en gerechtigheid? Dat koninkrijk der hemelen dat Jezus voor ogen stond?

Uit die vragen ontsprong het plan naar De Westhoek te trekken. Naar een plek van vrede en een plek van oorlog. De plek van vrede vonden we in de abdij, waar gebeden wordt als wij slapen, waar de lamp voor de bruidegom brandt, wat nú al het leven beïnvloedt.

Maar waarom gingen we ook naar de plek van oorlog? Naar een oorlog die bijna 100 jaar achter ons ligt? Wat heeft dat met toekomst te maken, met het koninkrijk der hemelen? Is naar Ieper gaan in feite geen kwalijke vorm van ramptoerisme? Integendeel. Het is onder ogen willen zien, voor zover de verschrikkingen te bevatten zijn. Het is willen horen wat die tijd ons te zeggen heeft, het is helpen om iedere gesneuvelde daar, waar ter wereld ook vandaan, een stem te geven. Ook hun lamp, hun fakkel moet blijven branden. We mogen niet indutten, niet onverschillig worden. Niet omwille van toen, en niet omwille van nu. Vrede is niet vanzelfsprekend. Dus gingen we afgelopen dinsdag ook naar Ieper, nadat we in de abdij met de monniken de psalm van die middag hadden gezongen, psalm 85, waarin staat: ‘gerechtigheid en vrede, zij kussen elkaar’.

We bezochten ‘In Flanders Fields’, een museum dat inzicht wil geven in oorlog, en daarmee een vredesboodschap uitdraagt. Het verbindt de bezoekers van vandaag met de mensen van toen. Geen anonieme krijgsmacht, geen willoze schaakstukken, maar je ontmoet er naasten met een naam en een gezicht. Ze vertellen hun verhaal. Ze geven om hun kameraden, missen hun geliefden, volgen bizarre bevelen op, vieren Kerstmis met hun vijanden. Mensen zoals jezelf, in de oorlog geraakt, en vermorzeld door het blinde mechaniek van macht en trots. In de namiddag gingen we naar Tyne Cot, de oorlogsbegraafplaats bij Passendale, waar we de ondergaande zon al die witte zerken in roze gloed zette, en ’s avonds stonden we in Ieper bij de Menenpoort voor de Last Post. Avond aan avond gedenkt men daar de slachtoffers. Overal liggen kransen met rode klaprozen, poppies. Met name in Engeland dragen mensen in deze tijd van het jaar een klaproos op hun kleding. Vurig teken dat je de slachtoffers van oorlogen gedenkt. Dat je de doden niet laat stikken, maar hun fakkel hooghoudt, brandend houdt. Want gedenken leidt tot doen, tot opstaan tegen scheve verhoudingen, tot werk maken van vrede, in kleine en grote kring.

Daar hebben we een lange adem voor nodig, zoals de monniken. Om de vlam brandend te houden, om gemotiveerd te blijven en waakzaam, mogen we doen zoals zij: ons dagelijks verheugen in bruiloft, ofwel in onze verbinding met God en met elkaar. Dat geeft brandstof om te doen wat we kunnen, om wijs te worden en elkaar tot zegen te zijn. Dan lichten hier al stukjes op van het koninkrijk van de hemelen, dat rijk van vrede dat Jezus voor de wereld ontsloten heeft.

 

 

Pastor M.Dieleman